verzorgde parkbossen met strakke symmetrische bomenlanen en daartussen kronkelige paden, allemaal bedacht door mensen die er verstand van hebben. De Manteling schermt de fietser – en trouwens ook het achterland – enigszins af van de eeuwige westenwind. Links trekken de grillige duinbossen voorbij, met dichterbij laag bruin struweel en daartussen als blauwe spiegels kleine waterplassen. Aan de oevers staan vogels voor zich uit te kijken, mijmerend als bejaarde badgasten. De Manteling heet hier Oranjezon, vroeger een waterwingebied, maar nu mag de natuur er haar gang gaan. Rechts houdt de bebossing op, terwijl ik doortrap, om plaats te maken voor weilanden en lage oude dijken. Op de hellingen lopen tussen dik ingepakte schapen lammetjes te donderjagen. Geelwitte weelde Nooit is het zicht op het Zeeuwse binnenland ruim, overal staan struiken boomhagen, soms met kleine vlekken van aarzelende roze bloesems. Steeds meer neemt daar ook de geelwitte weelde toe, van boterbloemen en fluitenkruid. Kwetsbare boompjes staan in gaas gehuld. Want geen misverstand: de mens heeft overal de hand in. Veere kondigt zich aan. Na Vrouwenpolder, fietsend langs de Polredijk, zie je zeilen boven de dijk uitsteken, dan volgt een weids zicht op het Veerse Meer zelf. Noord-Beveland, aan de overkant, schijnbaar dichtbij. Vooruit, maar nog ver weg, duikt de toren van het Veerse Stadhuis al op, met de sierlijke bolling onder de spits. Veere, een van de mooiste vestingsteden van Nederland, met trapgevels waar je ook kijkt. Vanuit deze middeleeuwse sferen beland je in het norsige Zeeuwse binnenland. Het heeft weinig weg van welk Hollands platteland dan ook, het landschap lijkt te aarzelen tussen boers en bosachtig, ongeordend als het op het oog is, met slordige sloten en onhandige hagen. Hier en daar tekenen vliedbergen zich af, stokoude kunstmatige heuvels waarop ooit kleine houten burchten stonden, al weten de historici dat niet helemaal zeker. In de weilanden grazen Zeeuwse knollen, soms met franje aan de onderbenen. In het zuiden tekenen de contouren van Middelburg zich af. g Historische ver weg 64 randeur is hier niet Dik en fris Voorbij Gapinge – lage authentieke huizen met groenwitte luiken – en Serooskerke blijft Walcheren een land van bomen, hagen en struiken. Langs de Zoetendaalse Weg domineert de meidoorn, die al dik en fris in het groen staat maar nog geen tekenen van bloei vertoont. Voor mij uit het baken van de kerktoren van Oostkapelle, vierkant met punthoed bovenop. Ik draai de Oude Kavelsweg op en krijg waarachtig Westhove weer in het oog, met de vier hoektorens, die van hieraf eerder geducht dan charmant overkomen. Erachter schimmert het verzorgde parkloof en daar weer achter steekt boven de ruige duinbossen van De Manteling de grimmige watertoren van Domburg zijn groene ‘topping’ omhoog. Opeens besef ik dat het allemaal, hoe verschillend ook, heel erg bij elkaar hoort. Mondriaans kerktoren, de woeste duinen, de lammetjes, het Veerse Meer, de vliedbergen en ook, aan het einde van de weg, vlak voor ik Domburg weer bereik, Aagtekerke. Het valt allemaal onder hetzelfde zilveren Zeeuwse voorjaarslicht. FIETSROUTE / 40 KM / ROUTEBOEKJE PAGINA 34 Pagina 17

Pagina 19

Heeft u een spaarprogramma, nxtbook of digi-clubbladen? Gebruik Online Touch: onderzoeksrapport online bladerbaar op uw website plaatsen.

Toeractief 1/2012 Lees publicatie 10Home


You need flash player to view this online publication